7 veelgemaakte fouten bij het instellen van de emissiegraad

E
Erik Jansen
Thermografie-specialist & Redacteur
Warmtebeeldcamera Technologie en Specificaties · 2026-02-15 · 6 min leestijd

Een verkeerd ingestelde emissiegraad is de meest voorkomende reden dat warmtebeeldcamera's onbetrouwbare metingen produceren. Je staat in de koude kelder, je camera laat een warmtebron zien bij de leidingen, maar de getallen klopen voor geen meter.

Of erger: je mist een isolatielek omdat de camera simpelweg niet het juiste contrast kan waarnemen. Het gebeikt vaker dan je denkt, en meestal ligt het niet aan de camera zelf, maar aan de instellingen die je handmatig over het hoofd ziet. Emissiegraad, of emissiviteit, is geen moeilijk concept, maar het vereist aandacht.

Het bepaalt hoeveel infraroodstraling een object uitzendt in vergelijking met een ideale straler.

In de thermografie is de range van 0,01 tot 1,0 doorslaggevend voor nauwkeurigheid. Laten we de zeven meest gemaakte fouten doorlopen, zodat jij de volgende keer geen koude data produceert.

Fout 1: Standaardwaarden klakkeloos overnemen

Veel beginners starten hun meting met de emissiegraad op 0,95. Dit is de standaardwaarde die fabrikanten instellen voor de meeste niet-metalen materialen.

Je meet een bakstenen muur en denkt dat het snor zit. Maar wat als je een aluminium kozijn of een glazen ruit meet? Bij aluminium daalt de emissiegraad drastisch, soms wel naar 0,10. De camera interpreteert de weinige straling die het object afgeeft alsof het een warm object is met een lage emissie, wat resulteert in een veel te hoge temperatuurweergave.

Je denkt een hittebronsel te zien, maar het is een meetfout. De oplossing: Verdiep je in het materiaal dat je meet. Gebruik een emissietafel of de materiaalmodus van je camera.

Is het materiaal onbekend? Gebruik dan een emissie sticker (met een bekende emissie van 0,95) op het object om een referentiemeting te doen.

Fout 2: Het vergeten van de omgevingstemperatuur

Een scenario: je inspecteert een cv-leiding die door een koude zolder loopt. Je ziet een strakke lijn van warmte. Alles lijkt goed.

Maar je hebt de omgevingstemperatuur niet ingesteld op de camera, of je hebt de verkeerde waarde ingevuld (bijvoorbeeld 20°C terwijl het 5°C is).

De camera berekent de straling op basis van de omgeving om de correcte temperatuur te bepalen. Als de omgevingstemperatuur te hoog wordt ingeschat, denkt de camera dat de leiding minder warmte uitstraalt dan hij in werkelijkheid doet. Het gevolg is een temperatuurmeting die te laag uitvalt.

De oplossing: Gebruik altijd een externe temperatuursensor (thermometer) om de omgevingstemperatuur te meten en voer deze handmatig in. Vergeet niet om ook de relatieve vochtigheid in te stellen, vooral bij inspecties op langere afstand, omdat vocht de infraroodstraling absorbeert.

Fout 3: Reflecties van omgevingsbronnen

Stel je voor: je meet een kunststof kozijn in de woonkamer. Je ziet een koude plek. Paniek!

Is het kozijn slecht geïsoleerd? Waarschijnlijk niet. Je meet waarschijnlijk de reflectie van een koude spiegel of het raam zelf. Kunststof heeft vaak een lage emissie (rond de 0,85-0,90) en is gevoelig voor reflecties van omgevingsbronnen. De camera ziet de straling van de koude spiegel en meet die als straling van het kozijn.

Dit leidt tot 'valse' koude plekken of warmtebronnen die er niet zijn. De oplossing: Verander je kijkhoek. Als de vlek verdwijnt of van kleur verandert, is het een reflectie. Gebruik een donkere doek om het reflecterende oppervlak af te schermen of pas de emissiegraad van het materiaal aan naar een lagere waarde om de reflectie in de berekening te minimaliseren.

Fout 4: De hoek van aanpak verkeerd begrijpen

De instructie in de handleiding zegt 'meet loodrecht op het oppervlak'. Toch doen veel gebruikers dit niet.

Ze meten vanuit een hoek omdat ze niet bij het object kunnen komen. Licht inval hoek is hier de boosdoener. Wanneer je onder een hoek meet, verandert de effectieve emissiegraad drastisch.

Een materiaal met een emissie van 0,95 loopt bij een hoek van 60 graden al terug naar 0,80 of lager. De camera 'ziet' minder straling en de meetnauwkeurigheid van de temperatuurweergave zakt in, terwijl de werkelijke temperatuur gelijk blijft.

De oplossing: Probeer altijd loodrecht te meten. Lukt dit niet? Pas de emissiegraad aan in de camera settings.

Verlaag de waarde met ongeveer 1% per graam afwijking, of raadpleeg de specifieke hoekcorrectie tabellen van je camerafabrikant.

Fout 5: Geen rekening houden met materiaaleigenschappen

Er is een wereld van verschil tussen het meten van een bakstenen muur en een glazen plaat. Glazen oppervlakken zijn vaak transparant voor infrarood straling, vooral in het lange golfgebond (LWIR).

Als je door een raam probeert te meten, meet je niet het glas, maar de objecten erachter. Dit leidt tot volledig incorrecte data. Ook metalen zijn lastig; ze hebben vaak een lage emissiegraad, maar een hoge reflectie.

Ze 'stralen' weinig, maar weerkaatsen alles. De oplossing: Behandel elke materiaalgroep anders.

Voor glas: meet direct op het glasoppervlak (als je de temperatuur van het glas zelf wilt weten) en zet de emissie laag (rond 0,85). Voor metalen: plak een stuk matte tape (emissie 0,95) op het metaal om een goede meting te doen.

Fout 6: De afstand tot het object negeren

Je staat met je warmtebeeldcamera op een afstand van 5 meter van een muur en meet een punt.

De camera meet echter niet alleen dat punt, maar een 'kegel' van straling die uitgaat van dat punt. Door de afstand neemt de straling van de omgeving mee in die kegel. Dit heet de 'spot size ratio' of IFOV (Instantaneous Field of View).

Op 5 meter afstand meet je misschien wel 20cm² in plaats van de 1cm² die je dacht te meten. Als er een koude luchtstroom door die 20cm² waait, daalt de gemeten temperatuur aanzienlijk.

De oplossing: Kom zo dichtbij als de camera toelaat (minimaal de minimale focus afstand).

Weet wat je spot size is op een bepaalde afstand. Gebruik bij grote afstanden de breedste lens of zoom uit om de resolutie per pixel te vergroten.

Fout 7: Tijdens de meting de emissie instellen

Dit klinkt logisch, maar het gaat vaak mis in de praktijk. Je loopt langs een wand, ziet een afwijking, stopt, en begint te pielen met de emissie-instellingen terwijl je de camera op het object richt.

De camera gebruikt de ingestelde emissie om de temperatuur te berekenen. Als je tijdens het meten de emissiegraden correct instelt, verandert de kleurenkaart en de temperatuurweergave direct. Dit leidt tot verwarring: is de afwijking nu echt, of heb ik de instelling zojuist veranderd?

De oplossing: Maak een plan voordat je begint. Scan het object met een standaard emissie (0,95).

Markeer de plekken die afwijken. Ga dan pas op die plekken de emissie fijn afstemmen en gebruik een checklist voor de juiste instellingen om de werkelijke temperatuur te bepalen. Gebruik de 'isotherm' modus om kleurverschillen door instellingen te minimaliseren.

Checklist: Voorkom emissie-fouten

Gebruik deze stappen voordat je de meting start. Dit voorkomt teleurstellingen en onnauwkeurige rapporten. Door je bewust te zijn van deze valkuilen, vertrouw je niet blindelings op je beeldscherm, maar gebruik je de data om echt inzicht te krijgen in de thermische prestaties van objecten.

Volgende stap
Lees het complete overzicht
Infraroodstraling en warmtebeeldvorming: complete gids 2026 →
E
Over Erik Jansen

Erik Jansen is thermografie-specialist met meer dan 15 jaar ervaring in bouwinspectie en industriële thermografie. Als gecertificeerd thermograaf (Level II) deelt hij zijn kennis over warmtebeeldcamera's, thermische analyse en praktische toepassingen.